top of page

Krijtstreep

Ook als je verlamd bent, kan je geluk, rust en tevredenheid vinden. Zolang je af en toe gewoon zo'n lekkere Caballero kan paffen.

Dat hij het zich elke ochtend als hij wakker wordt heel even niet meer herinnert, blijft een vreemd fenomeen. Alsof de opstartsecondes van zijn geest voor eeuwig vastzitten in de tijd van voor het ongeluk. Toch is het koude angstzweet bij het ontwaken van de eerste jaren er wel afgesleten. Mag ook wel, 14 jaar na dato. Denkend aan z’n vorige leven, ziet hij zichzelf altijd de trappen van zijn oude appartement op- en afrennen. Als hij z’n fietssleutel weer eens vergat, 13 minuten voor zijn trein vanaf centraal zou vertrekken. Belachelijk eigenlijk hoe goed het samen werkt, een evenwichtsorgaan, centraal zenuwstelsel en een paar benen.

Nu ligt hij vooral veel in bed, aandachtig luisterend naar kwetterende halsbandparkieten en trams die over metalen bielzen denderen. Tot hij de sleutel in zijn voordeurslot hoort morrelen en gefluit in de gang hoort. Zijn slaapkamerdeur zwaait open, Martha walst binnen. ‘Hey directeur! Hoe is het?’ Hij weet dat de walm van mierzoet parfum en mentholsigaret die haar achtervolgt, binnen luttele seconden op hem neer zal dalen, als een nucleaire wolk na een kernramp. Toch is hij gek op haar, ook omdat hij haar niet zichtbaar ongemakkelijk maakt. ‘Je gaat vandaag op pad, toch?’, vraagt Martha. ‘Ja, vanavond zet ik weer alles op zwart. Ik moet toch zorgen dat ik nog eens uit dit grijze land wegkom’, antwoord hij knipogend. ‘Dan neem je me wel mee, toch?’, vraagt ze grijnzend.

Terwijl ze haar ochtendroutine afwerkt – uitkleden, schoonmaken, aankleden – neuriet ze nummers uit het repertoire van Hazes. Hij verwondert zich over haar kracht, alsof er stiekem robotarmen onder die melkachtige huid verstopt zitten. ‘Heb je nog over je insectenleger gedroomd?’, hoort hij haar vragen terwijl zijn zicht op een muur gericht is. ‘Ja, mijn cicaden!’, antwoord hij enthousiast. ‘Dit keer waren ze onrustig, en gromden een beetje. Ze namen me mee, we vlogen met de hele zwerm naar de Lidl om dozen cava in de aanbieding te kopen. De Lidl heeft soms hele goede bubbels te koop, je moet het maar net weten. Maar ze mochten de winkel niet in, schijnbaar mogen alleen mensen naar binnen. En toen ik met drie dozen naar buiten kwam, waren ze gevlogen.’

Sinds een paar weken voelt hij rust, échte rust. Hij weet nu eindelijk dat hij het kan: onvervulde ambities loslaten, tevreden zijn met wat je hebt. Dat zijn steenachtige status de aanstichter is, had hij nooit kunnen bevroeden. Een wrede grap van het leven, en hij kan er wel om lachen. Hij is er ook echt goed in, bedlegerig zijn. Hij heeft tijd om zaken te perfectioneren die hij voorheen amateuristisch op de automatische piloot deed. Neem de kunst van staren: urenlang met een zachte focus een muur in je opnemen zonder op details in te zoomen.

‘Gaan we voor krijtstreep of donkerbruin?’, vraagt Martha over haar schouder, een washand uitwringend. ‘Krijt, met wit hemd en gouden spikkeldas’, antwoord hij. Het was een van zijn eerste besluiten in de tijd dat het verdriet over zijn ongeluk nog vers was, om altijd verzorgd de deur uit te gaan. Vandaag gaat hij naar het casino op het Max Euweplein, een plek waar hij zich senang voelt. Mensen staren er minder naar hem, gefixeerd als ze zijn op het rondspringende rouletteballetje. Hij rookt peuk na peuk met de beveiligers, die hij inmiddels als vrienden beschouwd. Bovendien is het een van de weinige plekken in de stad waar hij makkelijk kan manoeuvreren met zijn stoel.

Drie kwartier verder zit hij er onberispelijk bij. De rook die omhoog kringelt vanuit de Caballero in zijn mondhoek, prikt nog maar een beetje in zijn ogen. Nu Martha is vertrokken, is het weer stil. Hij luistert. Niet alleen naar zijn eeuwig klussende buren en voorbijrazend verkeer, maar ook naar de geluiden waarvoor je lang en goed je best moet doen, ver weg ergens in de stad. Om precies 18 over positioneert hij zijn rolstoel voor de liftdeuren. Na buiten twintig minuten vergeefs gewacht te hebben, belt hij de centrale. ‘Sorry meneer, Ibrahim is ziek en we hebben geen vervanger.’ De boord van zijn hemd prikt in zijn adamsappel. Vanaf een vuilcontainer kijkt een zeemeeuw hem aan, zijn kop schuin. Het grijze wolkendek boven hem breekt even open, maar de zon is nergens te bekennen.

©2022 by Komunikat. Proudly created with Wix.com

bottom of page