Fonkelend mos
Het valt niet altijd mee om een holbewoner te zijn in de oudheid. Zeker als je een belabberde jager én verzamelaar bent.

Grok zit te vissen aan de rand van de rivier. Hij is doorweekt, dagenlang al teisteren hoosbuien het land. De rivier is gevaarlijk opgezwollen en stroomt met een noodvaart aan hem voorbij. De enkele keer dat hij omhoog kijkt in de hoop een flinter blauwe lucht te ontwaren, spatten vette druppels op zijn gezicht uiteen. De dierenvellen die hij draagt, plakken onaangenaam aan zijn huid, stugge haren prikken in zijn oksel. Met zijn harige handen omklemt hij zijn speer, die hij zich voor zich houdt zoals een gelovige het kruis draagt in een processie. Omdat hij op een schuine steen is gaan zitten, bevindt zijn linkerbil zich hoger dan z’n rechter. Toch verzit hij niet; daar is hij te verkleumd voor. Zijn knieën heeft hij dicht naar zijn torso getrokken en hij laat zijn kin ritmisch dán weer op zijn linker, dán weer op z’n rechter knie stuiteren.
De plek die hij koos voor het vissen is daar waar de rivier een scherpe bocht maakt. Zijn gedachte is dat dit de aanstormende zalmen desoriënteert, hen nopend hun kop uit het water te steken voor informatie over hun route. Het is precies dán dat Grok zijn speer zal werpen. Althans, dat is zijn plan. Maar de druppels die het wateroppervlak onophoudelijk verbreken maken dit praktisch onmogelijk. Liever zou hij in het bos naar wat eetbare knollen op zoek gaan, ware het niet dat zijn stam al weken smacht naar de eiwitten en vetten van vis. En hij wil eindelijk ook wel eens die guy zijn die dat regelt. De knol, boomschors en stronk waar hij tot nu mee kwam vult weliswaar magen, maar daar is ook alles wel mee gezegd.
Terwijl gedachten over opgezwollen buikjes en holle oogkassen zijn geest geselen, heeft hij ineens het gevoel niet alleen te zijn. Met moeite strekt hij zijn nek over zijn schouder en schrikt zich te pletter: vlak achter hem, op een meter of twee, ziet hij stamgenoot Hrnæng. “Jezus man, hoe lang sta je hier al?” Hrnæng antwoord niet direct antwoord, eerst produceert een gek glimlachje dat Grok onrustig maakt. “Grokkie Grok, gozertje. Ik zeg je eerlijk: ik heb met je te doen man. Hoe lang zit je hier al, twee dagen? Drie? En nog steeds niets?” Grok weet niet meer hoeveel dagen hij daar zit. Wel ziet hij hoeveel moeite het Hrnæng kost zijn lach in te houden. Hij heeft zin om met zijn knokige vuisten zijn hoofd tot een bloederige pulp te timmeren. In plaats daarvan zegt hij: “Het zit inderdaad niet mee. Maar het zou wel heel dom zijn om nu te stoppen. Omdat ik al zo lang niks ving, is de kans nu júíst groot dat ik dat wel doe. Dat heeft te maken met statistiek en kansberekening en zo”, zegt Grok op een toon die moet uitstralen dat hij weet wat hij doet.
Hræng komt naast Grok zitten, trekt ook zijn knieën naar zich toe en slaat een arm om hem heen. “Luister gap, laat me je wat vertellen. Deze plek is geen prime real estate. Doordat vissen hier ineens hard af moeten remmen, zijn ze op hun hoede. Het is juist op de lange rechte stukken dat ze weg sukkelen in, zeg maar, standje cruise control. Ze komen in een staat van tunnelvisie terecht en zien jouw zijwaartse worp dan totáál niet aankomen.” Een vlaag vertwijfeling beukt zich door Grok’s lichaam. Fuck, heeft hij gelijk en zit ik hier al dagen voor niets weg te regenen? Op zich klinkt zijn verhaal logisch, tegelijkertijd vertrouwt hij Hræng voor geen snars. “Hrmpf, mja, zou kunnen”, mompelt hij. Ik kijk wel effe wat ik doe”. Hræng zegt: “Tuurlijk man, ik dacht: ik zeg het gewoon. Zelf weten natuurlijk.” Ze zitten nog een tijdje zwijgend naast elkaar. Grok tuurt mokkend in de verte, Hræng fluit wat tonen door zijn tanden heen. Willekeurige, lange geluiden zonder samenhang, waar Grok geen vat op krijgt.
Grok wacht na Hrængs vertrek nog minstens een half uur voor hij naar een recht stuk rivier verkast. Dit keer zoekt hij eerst een steen uit die voldoende plat is, gaat zitten, en begint. Zijn ogen stuiteren opgewonden over het wateroppervlak, hij kan het uitzinnige gespartel van een dikke vette zalm in zijn schoot al bijna voelen. Na een tijdje betrapt hij zichzelf erop Hræng’s tonen te fluiten, misschien als een regendans. Maar: hij ziet geen vis. Hij blijft staren. En staart nog wat meer. Een half uur gaat voorbij, een uur. Nog een uur. Maar geen vis, laat staan exemplaren die zich verveeld door het kolkende water laten meesleuren.
Als wat later de schemer definitief inzet en Grok, rusteloos wippend, nog steeds werkloos op z’n steen zit, realiseert hij zich dat ook deze tactiek vruchteloos is. Dat is het moment dat er iets in hem breekt. Noem het een implosie, noem het een zenuwinzinking; feit is dat een stukje Grok hier aan de rivieroever voorgoed verloren gaat. Hij beent ziedend heen en weer langs de oever, scheldend en op zoek naar iets om te slopen. Maar dat is er niet, er is alleen maar het grauwblauwe stromende water omgeven door stenen en grijze lucht. Na halfslachtig een paar exemplaren de rivier ingeduwd te hebben, ploft hij weer neer, terwijl de regen nog steeds genadeloos op zijn hersenpan klettert.
Als het al lang en breed donker is, sukkelt Grok verkleumd naar huis, met een nog grotere klomp verdriet in zijn maag dan de voorgaande dagen. Prevelend somt hij telkens opnieuw zijn pech op en bereid zich mentaal voor op afkeurende blikken van stamgenoten. Maar hoe dichterbij het kamp hij komt, hoe meer hij voelt dat iets niet pluis is. Waar normaal het gekwetter van zijn stam al diep in het bos hoorbaar is, heerst er nu een akelige stilte. Eenmaal aangekomen bij het grote vuur ziet hij omgeschopt eetgerei, een enkele losse schoen en omgevallen tentdoeken – maar geen stamgenoten; iedereen is weg. Hij weet niet wát hier gebeurd is, maar hij gaat het hier niet afwachten, niet in de minste plaats omdat hij het gevoel heeft bespied te worden. Daarom loopt hij zogenaamd nietsvermoedend naar de rand van het kamp, daar waar het bos begint. Eenmaal daar aangekomen, zet hij het op een rennen.
Hij weet niet hoe lang hij rent, maar in ieder geval lang genoeg om de takjes, steentjes en beukennootjes niet meer te voelen steken in zijn voetzolen. Zijn angst, nu vermengd met adrenaline, maakt dat hij tijdenlang door de dichte bebossing rent. Uiteindelijk komt hij op een open plek uit, ergens in diep in het bos waar hij nooit eerder kwam. In het midden van deze plek ziet hij een berg stenen met daarop een dikke laag donkergroen mos, dat glinstert en fonkelt in het maanlicht. Terwijl Grok naar dit etherische tafereel staat te kijken, voelt hij zijn hele lichaam zwaar worden, alsof in de berg stenen een bedwelmende god huist. De zachtheid van het mos wordt bevestigd als hij zijn vingers over het sponzige oppervlak laat glijden. Het is simpelweg onweerstaanbaar voor Grok om op het mos neer te vlijen en even zijn ogen sluiten, al is het maar voor een paar seconden. Wanneer hij dat doet, wijkt het mos uiteen en glijdt hij een wijde, zwarte diepte in.
Terwijl Grok steeds sneller naar beneden glijdt, ziet hij in behalve zwart ook vegen neonachtig paars, oranje en rood. Hij begrijpt niet waarin hij zich bevindt, maar aangezien hij geen pijn voelt, laat hij het gebeuren. Sterker nog, hij voelt zich kalm en vredig, de angst van zoeven is weg. Na een tijdje glijdt hij steeds minder stijl naar beneden, tot hij op niet meer bergafwaarts glijdt, maar rechtdoor, maar nog wel met dezelfde snelheid. Alsof een onzichtbare hand hem voortduwt. Hij voelt zich comfortabel, warm en hoort geluiden gedempt, alsof zijn hoofd in een doek gewikkeld is. Hij heeft zijn hoofd naar voren gericht, zijn armen strak langs zijn lichaam en als vanzelf begint zijn lichaam slangachtig te bewegen, om beter mee te gaan met de cadans van de tunnel.
Dit mag van hem oneindig zo doorgaan. Toch komt er een einde aan, wanneer hij plotsklaps een allesverzengende steek pijn in zijn zij voelt, zo hevig dat hij dubbelklapt. Hij remt keihard af en komt tot stilstand. Grok kronkelt en schokt van de pijn. Hij begrijpt niet wat er gebeurt, behalve dat er iets staafvormigs in zijn zij belandt is. Het volgende wat hij voelt is dat hij vanuit de donkerte van de tunnel omhoog getrokken wordt, naar een vreemd, grijzig licht dat hij steeds feller wordt. Zijn zintuigen doven nu steeds sneller uit. Het laatste wat het nog werkt terwijl verder alles al stopte, is zijn gehoor. Terwijl dat ook wegsterft, hoort hij ergens vanuit het grijs een uitgelaten oerkreet.
