Happy Fountain Can Corporation
Sommige mannen worden gelukkig van vissen, vliegtuigspotten of modeltreinen. Inblikman is echter uit ander hout gesneden.

Zijn werkdag begint met het aantrekken van een witte overall. Om te voorkomen dat hetgeen dat van zijn lichaam loskomt – haartjes, speekselspettertjes, huidschilfers – niet daar dwarrelt waar het ongewenst is. Zittend op zijn kruk aan de lopende band bij het inblikstation, nors kijkend, komt alles wat wél in de aluminium blikjes moet op ongenadige snelheid en in duizelingwekkende hoeveelheden op hem af. Zo wipt hij dag na dag, ton na ton, voedsel behendig hun verpakking in. Sardientjes glimmend in olie, tonijnbrokken in grijs water en inktvisstukjes in felrode tomatensaus. Eenmaal in zijn ritme onderbreekt hij zijn werk slechts voor een snelle shot nicotine, het tabak springerig knetterend als hij de sigaret in enkele lange halen inhaleert.
Zo slijt het neplederen oppervlak van zijn kruk elk jaar wat verder af. Zijn vingers zweven boven de lopende band, als een poppenspeler die met subtiele trekjes aan draden totale controle afdwingt. Dit werk betekent voor hem meer dan brood op de plank. Hij voelt het diep in zijn vezels wanneer goederen een licht- en zuurstofloze blikken sarcofaag nodig hebben. Desalniettemin is zijn liefde voor de fabriek tanende. Afscheid van de microkosmos van stampende machines, loeiende sirenes, wit-betegelde schaftruimtes en feloranje oogdouches is imminent.
De reden hiervoor is inhoudelijk: men verwacht van hem dat hij inblikt waarvoor hij aangenomen is. Daar heeft Inblikman begrip voor. De gemiddelde consument treft bij voorkeur geen meeliftende elastieken, stenen of gummen in hun koopwaar aan. Zij willen blindelings op de voedselveiligheidsprotocollen van de industrie kunnen vertrouwen. Handenvol chips moeten zonder nadere inspectie in monden te proppen zijn.
Maar de ambities van inblikman rijken verder dan het inblikken van enkel zeefruit. Maar voor nu speelt hij het spelletje nog even mee. En voegt alleen praktisch onzichtbare zaken clandestien aan blikken toe. Een grassprietje, een pluisje of een suikerklontje; nietig spul.
Totdat Inblikman in de krant een advertentie onder ogen krijgt die terreinwagens aan de man moet brengen. Een auto balanceert vervaarlijk op een bergtop, één wiel bungelend in het luchtledige. Achter het stuur zit een knoestige man met een snor en een pilotenzonnebril, een arm hangt nonchi uit het raam. Onder de afbeelding staat: ‘One life. Live it.’ “Verdomd,”, mompelt Inblikman, “die fuckers hebben gelijk.” Dus staat hij vanaf dat moment zijn handen toe steeds grotere objecten in de blikken te stoppen. En als honderdduizend blikken tilapiafilet teruggeroepen moeten worden omdat iemand in Vilnius een waxinelichtje in zijn ansjovis vindt, heeft het management geen keus dan hem te ontslaan. Met frisse tegenzin, want niemand blikt zo fenomenaal in als hij.
Nu zit inblikman ineens thuis, maar voelt zich verre van verloren. Van zijn spaargeld koopt hij een ‘Futura Can Seal Pro 3000’, door hem al jarenlang begeerde in Hongarije geproduceerde inblikmachinerie uit het hogere segment. Wanneer de vorkheftruck de kist met daarin de blinkende machine op zijn gazon laat neerdalen, pinkt Inblikman kuchend en hoestend stiekem een traantje weg. Daarnaast bestelt hij manshoge rollen aluminium, lipjes in allerlei soorten en maten en het grut wat je verder nodig hebt om een semiprofessionele inblikoperatie aan huis op te zetten. Hij is klaar voor een leven waarin potentieel alles dat voor zijn gretige knoesten verschijnt in een blik kan verdwijnen.
Voor hij officieel van start gaat, bezoekt hij eerst zijn muze. Ze bevindt zich in een horecagroothandel nabij Budel, waar hij wel vaker komt om het werk van collega-inblikkers te keuren. Daar, in zaal F, schap 14.25, staat ze. Hét blik, zijn schatje, zijn alles. Als hij voor haar staat, maakt hij eerst een bescheiden buiging. Vervolgens aait hij haar terwijl hij liefkozende woordjes prevelt. Ze is een majestueus blik in een sierlijke ovale vorm, 140 bij 85 centimeter metend. Een testament van de vooruitgang in de conserveringsindustrie sinds de Britse uitvinder Peter Durand in 1810 zijn eerste patent voor ingeblikt voedsel indiende. Haar inhoud? 600 pittig gekruide varkensgehaktballen in jus, frank en vrij rond-bobbend in hun metalen baarmoeder, genoeg om elke bedrijfsborrel van een middelgrote MKB op een snack-inferno uit te laten lopen. Ingeblikt in Taiwan door de begenadigde vaklieden van de befaamde Happy Fountain Can Corporation. Pure ambachtslieden die Inblikman verafgoodt. Hij hoeft zijn hand maar op het verchroomde, koele staal te leggen om weer te weten: dít is wie ik ben.
Onderweg naar huis rijdt Inblikman, kortstondig afgeleid door een schildpad die op zijn rug op een vluchtstrook rondtolt, zijn Hyundai Elantra met 153 kilometer per uur frontaal tegen een viaductpijler. De auto glijdt, na eerst zeven keer over zijn kop te zijn geslagen, al schrapend over het asfalt. Als deze tot stilstand gekomen is en de rook opgetrokken, is wat zojuist nog een heel degelijke automobiel van Zuid-Koreaanse makelij was, veranderd in een blok metaal, plastic en rubber met de afmetingen van een fors uitgevallen wasmachine.
De gendarmerie weet niet zo goed wat het ermee aan moet. Ze trommelen de brandweer op, die een hydraulische arm op een dieplader laat aanrukken. Deze pelt al sissend en puffend geduldig laag voor laag van het pakket af. Na 3,5 uur noeste arbeid verschijnt het gezicht van Inblikman aan de oppervlakte. De ambulancebroeders kantelen hun hoofden in allerlei hoeken en standen om het welzijn van Inblikman te duiden. Zij zien dat zijn ontblote rechtervoet schuin op zijn voorhoofd staat, terwijl zijn linkerzij tegen zijn rechterwang lijkt te plakken. Het lijkt alsof hij een torso ontbeert en zijn ledematen direct uit zijn hoofd ontspruiten.
Nu worden alle aanwezige hulpverleners er haastig bij geroepen. De kans om zo’n interessante casestudy in levenden lijve te aanschouwen dient zich niet vaak aan. Terwijl de een na de ander in afschuw zijn hand voor zijn mond slaat en een enkeling zijn maaginhoud in de snelwegberm deponeert, verschijnt een gelukzalige glimlach op het verfomfaaide gezicht van Inblikman. ‘M’n beste werk tot nu toe’, prevelt hij bijna onhoorbaar, terwijl schuimbubbeltjes zich in zijn mondhoeken ophopen.
